Onderzoek

Prenatale screening
Als zwangere heb je de keuze om wel of geen gebruik te maken van prenatale screening. Tijdens de eerste controle vragen we je of je meer informatie wil over de mogelijke onderzoeken; de combinatietest en de SEO.

Combinatietest
De combinatietest is een onderzoek waarbij het persoonlijke risico wordt bepaald op een kindje met het syndroom van Down (trisomie 21), het syndroom van Edwards (trisomie 18) en het syndroom van Patau (trisomie 13). De test bestaat uit een bloedonderzoek tussen 9 en 11 weken en een echo (nekplooimeting) bij 11+4-14 weken. Daarnaast worden er nog een aantal kenmerken meegenomen in de kansberekening, zoals je gewicht, leeftijd en of je wel of niet rookt. De uitslag van deze test vertelt je niet of je kindje één van deze afwijkingen heeft, maar alleen hoeveel kans je op de afwijking hebt.
In ongeveer 1 op de 20 (5%) zwangerschappen is de kans op het syndroom van Down groter dan 1 op de 200. Wanneer dit het geval is, kan met behulp van een vlokkentest of vruchtwaterpunctie worden vastgesteld of er inderdaad sprake is van één van bovengenoemde syndromen. Ook kan na een verhoogd risico bij de combinatietest worden gekozen voor deelname aan de Trident studie door het NIPT onderzoek. Bij de NIPT wordt uit moederlijk bloed DNA van de baby gehaald. De NIPT biedt geen 100% zekerheid en is niet altijd als vervolgonderzoek geschikt. Ter bevestiging moet bij een afwijkende uitslag alsnog een vruchtwaterpunctie gedaan worden.
Deze test wordt niet vergoed vanuit de basisverzekering en kost ongeveer 165 euro. Sommige verzekeraars vergoeden het onderzoek in een aanvullend pakket.

De 20 weken echo (SEO)
Het structureel echoscopisch onderzoek (SEO) wordt rond 20 weken zwangerschap uitgevoerd. Dit is een medische echo, waarbij uitgebreid wordt gekeken of alle organen goed zijn aangelegd, of het kindje goed groeit en of er voldoende vruchtwater is. Bij een vermoeden op een afwijking kan je worden doorverwezen voor een geavanceerde ultrasound onderzoek (GUO) in het UMCG.
De SEO wordt vergoed vanuit de basisverzekering.

 

Bloedonderzoek
Tijdens de eerste controle wordt er een standaard bloedonderzoek gedaan naar de volgende kenmerken:

  • Hemoglobinegehalte
    Hiermee kunnen we bepalen of je geen bloedarmoede hebt.
  • Bloedgroep
    Er wordt gekeken welke bloedgroep je hebt: A, B, AB of O .
  • Rhesus-D-factor
    Ieder bloed heeft een bepaalde Rhesus-D-factor. Als je Rhesus-D-positief bent, heeft dit verder geen consequenties. Heb je Rhesus-D-negatief bloed, dan krijg je in en na je zwangerschap extra onderzoeken. Dit gebeurt omdat er tijdens de zwangerschap bloed van je baby in jouw bloedbaan kan komen. Bij de geboorte is die kans groter. Komt er bloed van een Rhesus-D-positieve baby in de bloedbaan van een Rhesus-D-negatieve moeder, dan kan de moeder afweerstoffen tegen Rhesus positief bloed gaan maken. Deze antistoffen kunnen via de navelstreng het bloed van de baby bereiken en afbreken, waardoor de baby bloedarmoede krijgt. Daarom wordt – als je Rhesus-D-negatief bent- na 27 weken zwangerschap opnieuw bloed afgenomen en onderzocht op eventuele rhesusantistoffen. Ook wordt uit jouw bloed de bloedgroep van je kindje bepaald. Mocht je kindje Rhesus positief zijn dan krijg je een injectie met anti-rhesus-D immunoglobuline, om te voorkomen dat je in de laatste twee maanden van de zwangerschap alsnog antistoffen gaat maken. Als de baby Rhesus-D-positief is, krijg je binnen 24-48 uur na de bevalling nog zo’n injectie toegediend. Daardoor is de kans heel klein dat je antistoffen gaat maken. Een brochure van het RIVM over bloedgroepantistoffen kun je hier downloaden.
  • Rhesus c
    Er bestaan nog meer rhesusfactoren, zoals Rhesus c. Ook als je rhesus-c-negatief bent, wordt er tijdens de zwangerschap bij 27 weken nogmaals bloed afgenomen om te kijken of je geen antistoffen aanmaakt.
  • Irregulaire antistoffen
    In het onderzoek wordt ook gekeken naar antistoffen tegen rode bloedlichaampjes in het algemeen. Meer info vind je hier.
  • Syfilis
    Syfilis, ofwel Lues, is een seksueel overdraagbare aandoening (soa). Om besmetting van de baby te voorkomen, is het belangrijk de ziekte zo vroeg mogelijk in de zwangerschap op te sporen. Als uit het bloedonderzoek blijkt dat je syfilis hebt, dan word je verwezen naar een gynaecoloog en krijg je antibiotica.
  • Hepatitis B
    Hepatitis B is een ziekte waarbij een infectie van de lever optreedt door het hepatitis B-virus. Soms hebben mensen geen klachten en weten dus niet dat zij besmet zijn. Na de besmetting blijft een deel van de mensen het hepatitis B-virus bij zich dragen. Als je ‘virusdrager’ bent, heeft dat tijdens de zwangerschap geen schadelijke gevolgen voor de baby. Wel kan tijdens de geboorte de baby alsnog in aanraking komen met het virus en geïnfecteerd worden.Om deze besmettingskans te verkleinen, volgen wij een protocol. Een onderdeel van dit protocol is de vaccinatie van je kindje na de geboorte.
  • HIV
    Als de hiv-test positief is, dan ben je drager van het virus. In dat geval word je doorverwezen naar een gespecialiseerd hiv-centrum. Als je met hiv besmet bent, kan dit virus tijdens de zwangerschap of bevalling via je bloed op je baby worden overgedragen, of daarna via borstvoeding. De kans op besmetting van de baby kan sterk worden verminderd door virusremmers te gebruiken tijdens de zwangerschap.

Gerelateerde onderwerpen


Back to Top