Verloop van de bevalling

Ontsluitingsfase

Het eerste deel van de bevalling wordt de ontsluiting genoemd. In deze periode verstrijkt de baarmoedermond en gaat deze open. Dit gebeurt allemaal onder invloed van weeën. Weeën zijn samentrekkingen van de baarmoeder.

In het begin van de bevalling kunnen de weeën nog wat onregelmatig zijn. Je vraagt je soms af of dit dan ook het begin is. Vaak is het prettig om in deze periode je aandacht nog niet teveel op de weeën te richten. Probeer wat dingen te blijven doen, zodat je nog een beetje afgeleidt wordt. Als je merkt dat dat niet meer mogelijk is, kun je je meer gaan richten op ademhalingstechnieken en ontspanningsoefeningen. Dit is dan meestal ook de tijd om eens op de klok te gaan kijken om te zien of je ons al moet bellen (zie wanneer te bellen).

Wanneer we bij je thuis komen controleren we de harttonen van de baby en zullen we je tips geven voor het opvangen van de weeën. We kijken meestal of er al ontsluiting is. Dit gebeurt met een inwendig onderzoek. Als je hier problemen mee hebt, geef dit dan tijdens het spreekuur aan.
Afhankelijk van hoe ver het lijkt qua ontsluiting, zullen we samen met jullie een plan maken. Als het nog het begin van de bevalling is, zullen we je nieuwe bel instructies geven en spreken we een tijdstip af dat we weer langs komen. Zo kan het zijn dat we een aantal keer bij je thuis komen, voordat we besluiten te blijven of naar het ziekenhuis te gaan voor een poliklinische bevalling.

Hoe lang de ontsluiting duurt is van tevoren niet te zeggen. Dit verschilt per persoon en hangt onder andere samen met de kracht van de weeën, of het je eerste of volgende kind is en hoe je eventuele voorgeschiedenis is. Het is belangrijk om tijdens de ontsluitingsfase regelmatig te gaan plassen.

Naarmate de ontsluiting vordert, zullen de weeën steeds vaker komen en steeds krachtiger worden. Het zal steeds meer aandacht vragen om ze op te vangen. Dit is een goed teken. Het betekent dat het einde van de ontsluiting nadert. Tegen het einde van de ontsluiting bellen wij de kraamverzorgster, zodat zij ons kan assisteren tijdens de bevalling. Na de bevalling verzorgt moeder en kind.

Nog wat tips voor het opvangen van de weeën:

  • Zoek een aangename omgeving
  • Zorg voor een rustige buikademhaling via de neus
  • Probeer tussen de weeën door te ontspannen, mogelijk in bad of onder de douche
  • Het laten masseren van nek, rug, benen en/of voeten door de partner kan ontspannend werken

Uitdrijvingsfase

Zodra de baarmoedermond helemaal open is en je dus volledige ontsluiting hebt (tien centimeter), begint de uitdrijving. Je merkt dit doordat je persdrang krijgt; je voelt veel druk naar beneden en hebt tijdens de wee het gevoel dat je moet poepen.

Tijdens uitdrijving worden de pauzes tussen de weeën vaak wat langer, zodat jij en de baby de tijd hebben om even bij te komen. In deze periode wordt er na elke wee naar de harttonen van de baby geluisterd om de conditie goed in de gaten te houden.

Bij een eerste bevalling moet de weg door de vagina nog gebaand worden. Tijdens het persen komt het hoofdje steeds een stukje dieper, maar zakt tijdens de weeënpauze ook weer iets terug. De uitdrijving duurt bij een eerste bevalling gemiddeld één tot twee uur. Bij een volgend kind gaat dat vaak veel sneller, meestal binnen een half uur.

Als de baby bijna geboren is, kun je een stuk van het hoofd zien. Als het hoofdje niet meer terugzakt, noemen wij dat het staan van het hoofd. Dit geeft een branderig gevoel. Probeer goed te blijven zuchten en te luisteren naar wat wij zeggen. Het kindje wordt dan waarschijnlijk de volgende wee geboren.

Soms kan het gebeuren dat het niet lukt om zelf de baby eruit te persen. Bijvoorbeeld omdat de weeën niet krachtig genoeg zijn of dat de ligging van het kind niet goed is. Dan dragen wij de bevalling over aan de gynaecoloog, die verdere actie zal ondernemen. We proberen er dan wel bij te blijven om je ook bij het laatste stukje te steunen.

Nageboortetijdperk

Als het kind geboren is, zit het nog vast aan de navelstreng. Als de bloedvaten uitgeklopt zijn, gaan we afnavelen. Vaak knipt de partner de navelstreng door en moet jullie pasgeborene op eigen kracht verder. De eerste minuten na de bevalling bepalen we ook de Apgar-score. Dit is een score die de conditie van jullie kind weergeeft.

We letten dan op:

  • Hartfrequentie
  • Ademhaling
  • Spierspanning
  • Reactie op prikkels
  • Kleur van de huid

De maximale score is tien.

Vervolgens moeten de placenta (nageboorte ) en de vliezen nog geboren worden. De baarmoeder wordt na de geboorte een stuk kleiner. Daardoor laat de placenta los van de baarmoederwand. Als je baarmoeder goed samengetrokken is, laten wij de placenta en de vliezen geboren worden. Soms gaat dit niet helemaal voorspoedig en moeten wij je een injectie geven. We controleren of de placenta en vliezen compleet zijn. Het bloedverlies wordt steeds goed in de gaten gehouden.

Ondertussen ligt het kindje lekker bij je op de borst en als je borstvoeding wil geven kan de kraamverzorgster je al proberen te helpen de baby aan te leggen.

Vierde tijdperk

Dit is de periode waarin we kijken of er gehecht moet worden. Het hechten gebeurt onder verdoving.

Ook kijken we de baby na: we wegen de baby, kijken of er bijzonderheden zichtbaar zijn en testen een aantal reflexen, zoals de zuigreflex, de grijpreflex van de handen en de loopreflex. Daarna zal de kraamverzorgster de baby temperaturen en aankleden.

Na de bevalling is het verstandig even goed te eten en drinken, voordat je gaat douchen. Daarna kan je kraamtijd beginnen!

Gerelateerde onderwerpen


Back to Top